Als je jong bent, leef je binnen het systeem waarin je geboren bent. Dat systeem kan al behoorlijk wringen, maar zolang je nog je plaats zoekt, stel je het systeem zelf niet noodzakelijk ter discussie. Je studeert, begint te werken, neemt verantwoordelijkheid, bouwt een bestaan op en maakt daarmee eigenlijk steeds duidelijker welke plaats je binnen dat geheel inneemt. Misschien is het juist op dat moment, wanneer je min of meer gesetteld bent, dat de vraag zich opdringt: is dit het dan?
Bij ons groeide daaruit geleidelijk een andere vraag. Niet langer alleen wat we binnen het bestaande leven anders zouden kunnen doen, maar of we ook een stukje van de voorwaarden waaronder we leefden opnieuw zelf konden bepalen. Als je het systeem niet vanzelfsprekend wilt blijven volgen, waar begin je dan?
Een van de gedachten die daaruit ontstond, was verrassend concreet: iedere mens zou, als je de beschikbare oppervlakte van de planeet deelt door het aantal mensen, ongeveer 1,6 hectare ter beschikking hebben. Dat is natuurlijk geen praktische verdeling van de wereld en al helemaal geen pleidooi om iedereen een stuk grond van 1,6 hectare toe te wijzen. Het was vooral een manier om na te denken over de verhouding tussen ruimte, grondstoffen, voedsel en het aantal mensen dat de aarde moet dragen. Bovendien gebruiken we niet alleen wat we zelf produceren. We zijn voor een groot deel afhankelijk van productie, infrastructuur en grondstoffen elders. Als je werkelijk binnen de grenzen van wat beschikbaar is wilt blijven, moet je dus met minder ruimte en minder middelen kunnen leven dan die theoretische 1,6 hectare per persoon.
Die gedachte kreeg een onverwachte historische dimensie toen we in documenten over de streek lazen hoe een traditionele boerderij en een gezin in de Dordogne vroeger konden leven op ongeveer zes hectare. Het ging daarbij niet om zes hectare intensief bewerkte landbouwgrond: ongeveer 45 procent bestond uit bos en 55 procent uit weiden en cultuurgrond. Het was een gemengd geheel waarin verschillende functies van het land elkaar aanvulden en waarin een gezin, met een heel andere levenswijze dan de onze, grotendeels in zijn eigen behoeften kon voorzien.
Vanaf dat moment was zes hectare voor ons niet langer zomaar een hoeveelheid grond. Het werd een interessante schaal. Niet omdat we dachten dat we exact hetzelfde leven konden of moesten reconstrueren, maar omdat het een concrete historische aanwijzing was dat een dergelijk oppervlak ooit de basis kon vormen voor een zelfstandig bestaan.
Toen we vervolgens een eigendom van 6,16 hectare in de Dordogne te koop zagen staan, was de overeenkomst moeilijk te negeren. Dat het bovendien precies de streek was waar we ons in konden voorstellen te wonen, maakte de keuze eenvoudig. Frankrijk was op zichzelf geen vooraf bepaald doel. We wilden vooral weg uit België en zuidelijker wonen, maar tegelijk in West-Europa blijven: een klimaat dat duidelijk anders is dan dat van België, zonder dat we daarvoor tot in de Provence, Spanje of Italië hoefden te gaan. En toen we de plek zelf zagen en vanuit de tuin het landschap bekeken, speelde de staat van de gebouwen nauwelijks nog een rol. De bouwwerken waren ruïnes en verkeerden in verregaande staat van verval. Het uitzicht was waanzinnig mooi.
We hadden op dat moment geen uitgewerkt antwoord op de vraag wat we precies met die 6,16 hectare zouden gaan doen. Dat was ook niet de belangrijkste vraag. Het uitgangspunt was eerder dat we een stuk wereld wilden vrijmaken: een plek verwerven die niet volledig volgens de logica van het bestaande systeem hoefde te functioneren en waarop we, binnen de grenzen van wat wettelijk, financieel en praktisch mogelijk was, zelf konden bepalen hoe we wilden wonen en leven.
Volledig buiten het systeem gaan was nooit werkelijk het doel. Dat kan ook nauwelijks. Zelfs op een plek die je zo zelfstandig mogelijk probeert te maken, blijven er verbindingen met de wereld daarbuiten: belastingen, regelgeving, materialen die je moet aankopen, infrastructuur, kennis, mensen en allerlei kosten die niet verdwijnen omdat je besluit zelfvoorzienend te worden. De vraag was dus niet hoe we het systeem konden verlaten, maar hoe we erbinnen een eigen systeem konden opbouwen: een plek die zoveel mogelijk zelf haar voedsel, energie, grondstoffen en ritme organiseert, en die voor de rest van de wereld niet afgesloten hoeft te zijn.
Dat was het vertrekpunt. Wat daar in de praktijk van terecht zou komen, wisten we toen nog niet.