Als de voedselpiramide ons vertelt wat we willen eten, volgt vanzelf de moeilijkere vraag: hoe krijgen we dat ook werkelijk uit de grond?
De tuin begint voor ons dus niet bij een zaadzakje, maar bij ons bord. We weten ongeveer hoeveel groenten, fruit, peulvruchten en andere producten we willen eten. Van daaruit moeten we terugrekenen: welke gewassen hebben we daarvoor nodig, hoeveel moeten we ervan telen en hoe zorgen we ervoor dat er niet alleen in juli en augustus iets te oogsten valt?
Dat laatste is belangrijker dan het misschien lijkt. Een overvloedige zomer is prettig, maar daar heb je in januari niet zoveel aan. We willen daarom niet alleen produceren, maar ook spreiden, bewaren en waar mogelijk de oogst over een zo groot mogelijk deel van het jaar verdelen. De ene groente komt rechtstreeks uit de tuin, de andere wordt bewaard, gedroogd, gefermenteerd of ingevroren. Zo kunnen goede jaren ook helpen om mindere periodes te overbruggen.
Onze zaai- en plantkalender is daar het praktische gevolg van. Die loopt van ongeveer begin februari tot september en is terug te vinden als downloadbare PDF in het bronnen-gedeelte. Het is geen kalender die ieder jaar ongewijzigd uit de kast komt. Tijdens de winter kijken we terug naar het voorbije seizoen en passen we aan wat niet goed gewerkt heeft. De kalender is dus eerder een geheugensteun dan een voorschrift.
De plek doet mee
Voor we beslissen waar iets komt, kijken we eerst naar wat de plek zelf ons vertelt. Klimaat, reliëf en bodem bepalen de mogelijkheden. Pas daarna komt de vraag welke ingreep zinvol is. Dat klinkt misschien vanzelfsprekend, maar het is een belangrijk verschil in denken. We proberen niet de plek geschikt te maken voor alles wat we graag zouden willen telen. We proberen eerst te begrijpen wat hier al aanwezig is en daar zo goed mogelijk gebruik van te maken.
Een hectare is bovendien geen uniforme lap grond. Sommige plaatsen zijn vochtiger, andere droger. Sommige krijgen meer zon, andere minder. Zelfs binnen een relatief kleine oppervlakte kunnen temperatuur en vochtigheid behoorlijk verschillen. Microklimaten bestaan echt.
Wat hier niet wil groeien, zal hier niet groeien. Daar kunnen we mee leven. Soms is een kleine ingreep voldoende om een bepaalde plek geschikt te maken voor een gewas. Saffraan is bijvoorbeeld gebaat bij een goede drainage. In onze kleigrond betekent dat zoeken naar de juiste plaats en eventueel een gerichte oplossing, niet noodzakelijk de hele bodem veranderen.
Eerst de bodem
Onze belangrijkste ingreep ligt dan ook veel dichter bij de grond: organisch materiaal.
In België hadden we al ervaring opgedaan met hugelkultur en verhoogde bedden. Toen we hier in de Dordogne met onze kleigrond aan de slag gingen, herkenden we veel van wat we eerder hadden gezien. De conclusie was opnieuw dezelfde: de bodem heeft vooral baat bij veel organisch materiaal.
Een gezonde bodem is voor ons de basis van alles. Zorg voor de aarde en de aarde, samen met al haar medewerkers, zorgt voor jou. We proberen daarom niet alleen planten te laten groeien, maar vooral het bodemleven te ondersteunen dat die groei mogelijk maakt.
Daar hoort ook het idee bij dat afval niet bestaat. Wat op de ene plaats een overschot is, kan elders opnieuw grondstof worden. Hoe meer we die kringlopen kunnen sluiten, hoe minder we van buitenaf nodig hebben. Ook onkruid bekijken we vanuit die gedachte. Het is niet alleen een plant die op de verkeerde plaats staat. Het kan ons iets vertellen over de bodem en de omstandigheden. En misschien kunnen we de functie die het vervult uiteindelijk door een andere plant laten overnemen.
Als ergens een bepaald onkruid steeds opnieuw verschijnt, vragen we ons dus liever af waarom het daar goed gedijt. Wanneer we vervolgens een gewas kunnen zetten dat dezelfde wortelzone of functie beter invult, verandert de situatie vanzelf. Het onkruid hoeft dan niet voortdurend bestreden te worden. Dat is eigenlijk de richting waarin we proberen te evolueren: steeds minder werken tegen iets en steeds meer werken met wat er al is.
Een systeem dat bij ons past
We werken bio-intensief. De bedden van 75 cm breed met paadjes van 45 cm ertussen zijn ondertussen een vast onderdeel van onze manier van telen. Ze geven ons veel productie op relatief weinig oppervlakte, zonder dat we daarvoor een sterk gemechaniseerd systeem nodig hebben.
Maar ook hier geldt dat we niets als universeel recept zien. Wat hier werkt, hoeft aan de andere kant van de berg niet te werken. Een andere bodem of een ander klimaat kan een compleet andere aanpak vragen.
Daarom zijn we ook voorzichtig met grote ingrepen. We zoeken liever naar kleine veranderingen met een groot effect. Compost op een groentebed kan bijvoorbeeld een wereld van verschil maken.
We proberen bovendien ongeveer tachtig procent van het resultaat met twintig procent van de inspanning te behalen. Niet omdat de overige twintig procent niet interessant zou zijn, maar omdat we onze tijd liever besteden aan de dingen die we graag doen. Dat maakt het systeem ook leefbaar. En leefbaarheid is voor ons een belangrijk onderdeel van duurzaamheid. Een systeem dat alleen werkt wanneer je er voortdurend meer tijd, energie en middelen in stopt, is uiteindelijk niet het systeem dat we zoeken.
We hebben trouwens nog lang niet alles uitgedacht. Irrigatie is daar een goed voorbeeld van. Een deel van wat we daarvoor hebben opgezet, was gebaseerd op theoretische modellen en beperkte praktijktesten. We leren dus nog volop door te proberen, te observeren en bij te sturen.
Dat geldt eigenlijk voor de hele tuin.
Wat we tijdens een seizoen leren, gaat mee naar de winter. Wat we in de winter begrijpen, komt het volgende jaar terug in de tuin. Zo ontstaat langzaam een systeem dat steeds beter aansluit bij wat we willen eten én bij de plek waar we het willen telen.
Niet door de natuur naar onze hand te zetten, maar door steeds beter te leren luisteren naar wat ze ons vertelt.