Ritme
Ons dagelijks leven heeft een eenvoudig ritme: ontbijt – arbeid – lunch – arbeid – diner – rust. De maaltijden vormen als het ware de kapstok waaraan de dag zich ophangt.
Tussen het ontbijt en de lunch ligt de voormiddagarbeid. Dat is in de eerste plaats fysieke arbeid. De voormiddag heeft bovendien een vast ritme doorheen de week:
• Maandag: potager, polytunnel en kruidentuin
• Dinsdag: permacultuur-orchard en andere bomen
• Woensdag: reservedag
• Donderdag: permacultuur-orchard en andere bomen
• Vrijdag: maaien
• Zaterdag en zondag: weekend — boodschappen doen, luieren, niets hoeven
De woensdag is bewust een reservedag. In de praktijk raakt die bijna altijd ingevuld. We plannen misschien tachtig procent, maar dat wordt al snel honderd procent werk, eenvoudigweg omdat we vooraf nooit alles kunnen voorzien. Er is altijd wel iets dat nog moet gebeuren, iets dat uitloopt of iets dat zich onverwacht aandient.
Tussen lunch en diner ligt de namiddagarbeid, maar die heeft een heel ander karakter. Dit is de tijd voor geestelijke en intellectuele arbeid. De namiddag heeft daarbij een min of meer vast stramien: meditatie – wandeling – studie, en daarna het diner.
Dat vaste ritme geeft houvast zonder dat het een keurslijf wordt. Het leven hoeft niet voortdurend opnieuw georganiseerd te worden. De maaltijden, het werk, de wandeling, de meditatie en de slaap vormen samen een eenvoudige structuur waarin de dagen zich vanzelf kunnen ontvouwen.
Rust
Rust komt niet alleen voort uit niets doen. Ze wordt gedragen door de omgeving: de stilte, de natuur, de meditatie en de ruimte die er in de dag is. Het leven wordt als het ware verankerd aan die vaste kapstok van het dagelijkse ritme.
Daarbij hoort ook aandacht. Aandacht voor wat we doen, voor de omgeving waarin we leven en voor wat zich in onszelf aandient. Niet alles hoeft onmiddellijk opgelost, begrepen of gestuurd te worden. Soms is het voldoende om opmerkzaam te zijn en aanwezig te blijven.
Meditatie helpt daarbij, maar aandacht hoeft niet beperkt te blijven tot het meditatiemoment. Ze kan er ook zijn tijdens het werken in de tuin, tijdens een wandeling, aan tafel of in een gesprek. Het gaat minder om iets bereiken dan om werkelijk aanwezig te zijn bij wat er gebeurt.
Ook de gedachte van kringlopen speelt een belangrijke rol. Alles komt altijd terug, maar nooit op exact dezelfde manier. De tuin, de bomen, het werk, de seizoenen, de dagen en uiteindelijk ook wijzelf bewegen voortdurend in zulke kringlopen. Wat terugkomt, is nooit helemaal hetzelfde als de vorige keer.
Dat besef haalt ook een zekere druk uit het leven. Als iets vandaag niet lukt, hoeft het niet meteen ingehaald te worden. Misschien lukt het morgen. Of volgende week. Of in een volgend seizoen. Niet alles hoeft nu.
Stress
Stress, drukte en het gevoel dat iets voortdurend “moet”, proberen we zoveel mogelijk te vermijden. Dat betekent niet dat er nooit werkdruk of onverwachte problemen zijn. Het betekent vooral dat we proberen er geen permanente toestand van te maken.
Er is een verschil tussen veel te doen hebben en onder druk staan. Het eerste hoort bij het leven; het tweede proberen we zoveel mogelijk te beperken.
Onze belangrijkste vorm van antistress is daarom misschien wel heel eenvoudig: genoeg stilte, genoeg slaap en genoeg leegte.
Leegte is geen verloren tijd. Ze geeft ruimte aan wat nog niet gepland is, aan wat onverwacht komt, aan herstel, aan aandacht en aan niets doen. Juist doordat niet iedere minuut ingevuld hoeft te zijn, kan het ritme blijven ademen.
Zo ontstaat een leven waarin ritme rust brengt, rust ruimte schept en ruimte voorkomt dat het leven voortdurend in stress en “moeten” terechtkomt.