Een tuin die produceert is één ding. Ervoor zorgen dat die productie ook op het juiste moment op ons bord terechtkomt, is iets anders.
Onze kalender is zo opgebouwd dat er bijna het hele seizoen iets geoogst kan worden. Toch blijft de natuur ongelijkmatig: in juni en juli komt er veel, in februari en maart weinig. Daarom sturen we de oogststroom actief.
Wat de tuin op dat moment geeft, proberen we zo veel mogelijk vers te eten. Sla, radijs, spinazie, snijbiet, koolrabi, courgette, tomaat, komkommer en peultjes gaan bij voorkeur direct naar de keuken.
Dat is de eenvoudigste en beste manier om de 600 gram groenten per dag te halen.
Wanneer er meer komt dan we kunnen eten, kiezen we bewust een route:
We proberen niet alles te verwerken. Alleen wat logisch en haalbaar is.
Door de opvolgzaien (sla, radijs, rode biet, koolrabi, spinazie, veldsla) blijft er tot diep in de herfst verse blad- en wortelgewassen. De late koolsoorten, prei, knolselder en bewaaraardappelen vormen de winterbasis. De peulvruchten die we in mei zaaien (struikboon, soja, witte boon) worden deels vers gegeten en deels gedroogd of ingevroren.
Zo proberen we de 160 gram peulvruchten en 120 gram aardappel per dag ook in de wintermaanden te halen, zonder dat alles in één keer geoogst moet worden.
Naarmate de tuin volwassener wordt, verandert de volgorde in de keuken. We beginnen steeds vaker met de vraag: wat is er vandaag beschikbaar? en bouwen daar het recept omheen.
Een overvloed aan tomaten wordt saus. Een grote oogst kool wordt zuurkool of fermentatie. De eerste courgettes gaan vers, de latere worden ingevroren of verwerkt.
Op die manier wordt de oogststroom geen probleem dat opgelost moet worden, maar een ritme waar we mee leren leven.
Tuin → oogst → vers eten → bewaren → koken → ervaring → compost → bodem → tuin.
Dat is de kringloop die we proberen te versterken.