De tuin begint niet bij een zaadzakje, maar bij ons bord.
We weten intussen wat we ongeveer willen eten:
Dat is geen theoretisch ideaal. Het is wat we in de praktijk prettig en volhoudbaar vinden. De vraag is dan niet meer: “Wat kunnen we hier allemaal verbouwen?” maar: “Welke gewassen moeten we telen om deze hoeveelheden zo veel mogelijk zelf te leveren?”
600 gram groenten per dag betekent dat we veel volume nodig hebben. Daarom telen we structureel:
Fruit en noten vormen de meerjarige laag: aardbeien, bessen, fruitbomen, hazelaars, walnoten en kastanjes. Die vragen minder jaarlijks werk en leveren over meerdere jaren.
Olijfolie, vis, een deel van de granen en sommige specialiteiten kopen we in. Zelfvoorziening is geen doel op zich. Het doel is dat de basis van ons bord – de 600 g groenten, de peulvruchten, de aardappelen en een groot deel van het fruit – zo logisch mogelijk uit onze eigen tuin komt.
Daarom begint iedere teeltkeuze bij dezelfde vraag: helpt dit gewas ons om dagelijks die 600 gram groenten en 160 gram peulvruchten te halen?