Ons voedingsmodel is ontstaan uit één praktische vraag:
Hoe vertalen we wat we uit het onderzoek leren naar wat er iedere dag op ons bord ligt?
We wilden geen dieet met verboden producten of ingewikkelde berekeningen. Wel een eenvoudig, herhaalbaar systeem dat richting geeft – en dat we grotendeels zelf kunnen verbouwen of maken.
Dit is wat er gemiddeld per dag bij ons op tafel komt (voor één persoon):
| Onderdeel | Hoeveelheid |
|---|---|
| Groenten | 600 g |
| Fruit | 300 g |
| Peulvruchten | 160 g |
| Aardappel | 120 g |
| Havermout | 60 g |
| Desembrood & andere (bereide) granen | 240 g |
| Lijnzaad | 1 el (± 10 g) |
| Hazelnoten | 12 stuks |
| Walnoten | 3 stuks |
| Olijfolie | 3 el (± 40–45 ml) |
| Magere melk | 200 ml |
| Kaas | 15 g (op dagen dat we kaas eten) |
| Vis | 3× per week 100 g |
| Eieren | 4× per week 2 stuks (of eiwitten) |
Dit is geen heilige lijst. Het is ons praktijklichaam – de hoeveelheden die we in de loop van de tijd als prettig, voedzaam en haalbaar hebben ervaren.
600 gram groenten en 300 gram fruit per dag. Dat is veel. En dat is precies de bedoeling.
Het grootste deel van ons bord is plantaardig. Groenten vormen de ruggengraat, fruit is de zoete, seizoensgebonden aanvulling. Variatie is belangrijker dan het precieze cijfer: verschillende kleuren, texturen en plantensoorten door de week heen.
160 g peulvruchten, 120 g aardappel, 60 g havermout en 240 g desembrood of andere bereide granen. Samen leveren ze de meeste energie, vezels en een stevig gevoel van verzadiging.
Desembrood maken we zelf. Havermout is bijna elke ochtend aanwezig. Peulvruchten (linzen, kikkererwten, bonen) keren regelmatig terug in soepen, stoofschotels en salades.
1 el lijnzaad, 12 hazelnoten, 3 walnoten en 3 el olijfolie. Kleine hoeveelheden, maar ze zijn constant. Ze leveren gezonde vetten, een beetje eiwit en veel smaak.
De noten proberen we zo veel mogelijk zelf te produceren. De olijfolie kopen we in – die kunnen we hier (nog) niet zelf maken.
Vis drie keer per week (100 g per portie). Eieren vier keer per week (2 stuks). Kaas 15 g op de dagen dat we hem eten. Magere melk 200 ml per dag.
Geen zoogdiervlees en geen gevogelte. Eieren komen van onze eigen kippen. Vis kopen we. Melk en een beetje kaas vormen de enige zuivel.
We eten vrijwel geen sterk bewerkt voedsel, geen bewerkt vlees en weinig vrije suikers. Dat is geen rigiditeit, maar een praktische keuze: hoe minder bewerkt, hoe makkelijker het is om de hoeveelheden hierboven te halen zonder dat het elke dag een puzzel wordt.
Dit model is niet alleen een eetschema. Het is ook een ontwerp voor de tuin.
600 g groenten per dag betekent dat we veel bedden nodig hebben – en dat we slim moeten plannen, bewaren, fermenteren en invriezen. De noten, de eieren, een deel van het fruit en de peulvruchten willen we steeds meer zelf produceren. Wat we niet efficiënt zelf kunnen maken (olijfolie, vis, bepaalde granen), kopen we gewoon in.
Zelfvoorziening is geen doel op zich. Het is een middel om de dingen die we dagelijks nodig hebben zo logisch mogelijk met elkaar te verbinden.
Dit is misschien wel de belangrijkste regel:
We proberen gezond te eten, niet perfect.
Een dag met te weinig groenten maakt het patroon niet ongedaan. Een verjaardag met taart evenmin. We kijken naar weken, maanden en jaren.
De cijfers zijn hulpmiddelen. De richtlijnen zijn richtingaanwijzers. De tuin levert een deel van de ingrediënten. De keuken maakt er maaltijden van. De seizoenen bepalen wat er is. Overschotten worden voorraad. Ervaringen worden kennis – en die kennis gaat weer terug naar de tuin.
Zo wordt voeding geen lijst met regels, maar een kringloop.